Vakantiepuzzel: wie waren er in Abrahams tent? (Gen18/19)

Nu het zomervakantie is, zal er door menigeen weer een tent opgezet worden.
Ook Abraham leefde in een tent.

Op een dag kreeg hij bijzonder bezoek.
Daarover gaat het onderstaande verhaal.

Het is een bekend verhaal, maar… tegelijk is het ook wel een puzzel.
Want: wie waren er allemaal in Abrahams tent?

Hieronder loop ik met u/jou een paar teksten langs. En ik ben benieuwd wat jullie er van vinden.


We lezen uit Genesis 18 en 19

Genesis 18 is een bekend verhaal.
Abraham zit voor zijn tent, op het heetst van de dag.
De tekst vertelt:

De HERE verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat.’ En hij sloeg zijn ogen op, en zie, drie mannen stonden bij hem.’ (vers 1 en 2)

Eigenlijk is dit de vraag voor de ‘puzzel’:
wie komen er in de tent van Abraham?
Is God één van deze mannen, of niet?
Heel vaak lezen we het verhaal, alsof dit wél het geval is.

Of verschijnt God aan Abraham op een andere manier?
Want zo kun je het openingsvers ook lezen, als een soort intro:
De HERE verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre”.
(maar dan hoeft Hij niet persé een van die mannen te zijn)

We leggen wat puzzelstukjes neer:

Het is opvallend dat er in het verhaal lijnen door elkaar heen lopen:
– Soms spreken de mannen (”zij zeiden: waar is uw vrouw, Sara?” (vers 9)
– En dan ineens staat er: ”Hij zei: Voorzeker zal ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.
Hier lijkt God ineens aan het woord. Want het ”wederkeren” wordt vervuld in Genesis 21:1 en op God betrokken:
De HERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, … en zij werd zwanger’‘.

Dus God lijkt er ook Zelf bij te zijn, in Abrahams tent.
Als een van de drie mannen, of als een (onzichtbare?) vierde?

Even later lees je zelfs: ”Toen zei de HERE tot Abraham:
Waarom lacht Sara daar?” (vers 13)

Hoe moeten we dit zien? Abram tegelijk (of eerst) in gesprek met de mannen, en later ook met God? Of twee gesprekken door elkaar heen?

Je kunt je ook nog eens afvragen: waarvandaan spreekt God?
Vanuit die tent waar Abram zat? Of vanuit de hemel?

Dat laatste (de hemel) is ook zeker een optie, want Hij zegt later (vers 21):
Ik wil nederdalen om te zien of zij (Sodom en Gomorra) inderdaad gedaan hebben … Ik wil het weten.”

Nederdalen – dat veronderstelt dat God nog ”in den hoge” is, als Hij dit zegt. En dan heeft Hij tot dit moment vanuit de hemel tot Abram gesproken, terwijl Abram ook de mannen ontmoette.

Deze gedachte wordt ondersteund door het feit dat we direct hierna in vers 22 lezen:
Toen wendden die mannen (waarschijnlijk alle drie dus) zich vandaar en gingen naar Sodom
En, staat er: ”Maar Abraham bleef nog staan voor de HERE’‘.

Dit is door rabbijnen ook uitgelegd als: staan voor het aangezicht van de HERE, zoals dit ook een aanduiding kan zijn voor het gebed. Als een mens bidt, wordt dit immers ook aangeduid met: het aangezicht van God opzoeken. (terwijl God dan wel in de hemel is, en de mens op aarde, maar het gebed creëert die kostbare verbinding en nabijheid, ondanks die grote afstand.

Tegelijk echter suggereert vers 33 (”Toen ging de HERE weg, nadat Hij geëindigd had tot Abraham te spreken”) dat God wel degelijk tot vlakbij Abraham was gekomen.
Dan stond Abraham dus letterlijk vlak voor het aangezicht van de HERE (en gaat het niet om die symbolische aanduiding van het gebed).
Dan kun je het zo lezen:
God zei in vers 21: ”Ik wil nederdalen”.
En in vers 22 is dat dan direct gebeurd: ”Abraham bleef staan voor de HERE” (die nedergedaald was).
En in vers 33 ”ging de HERE weg”.

Maar ook dan is de HERE pas nedergedaald bij ‘vers 22’, en niet al eerder, bij die drie mannen in Abrahams tent.

Tegelijk zijn we er nog niet. Het blijft lastig om er precies de vinger achter te krijgen.
Want het verhaal gaat verder: hoofdstuk 19:1:
En de twee engelen kwamen te Sodom”.
Voor het eerst wordt hier over ”engelen” gesproken, in plaats van over ”mannen”.
Trouwens, als ze straks bij Lot komen, zal hij er ook geen engelen in herkennen, maar twee mannen, die hij uitnodigt om bij hem te gast te zijn. (denk ook aan het paasevangelie waar de vrouwen ”mannen” in het graf zien, maar dat zijn vermoedelijk engelen).
Engelen zien er dus soms heel ”gewoon” uit.

Nog iets over de engelen. Er staat: ”de twee” engelen.
Was die derde dan toch God? vraag je je af.

Joodse rabbijnen hebben het ook wel zo gelezen: de derde ”man” was ook een engel. Maar die derde engel was na het volbrengen van zijn taak (de boodschap van de geboorte aan Sara brengen) weer teruggekeerd naar de hemel. Volgens bepaalde Joodse uitleggers hebben engelen altijd maar één taak per keer, waarmee ze worden uitgezonden. De taak van die ene was het om het geboortebericht over Isaäk te brengen, terwijl de andere twee tot taak hadden Sodom en Gomorra te oordelen.

Tot zover de ‘puzzelstukjes’.
Ik ben benieuwd hoe jullie dit verhaal lezen.
Wie waren er allemaal in Abrahams tent, en waar is God in dit verhaal?

5 thoughts on “Vakantiepuzzel: wie waren er in Abrahams tent? (Gen18/19)

  1. Dag Bart,

    Voor Abraham was het kennelijk geen puzzel! Hij nodigt uit, luistert, gaat in gesprek, op een onbevangen manier. Kennelijk ervaart Abraham Gods aanwezigheid in één van de bezoekers. Want hij spreekt deze aan met Heere. En in de tekst lezen we dat het de Heere is die met hem in gesprek gaat. Dat betreft zowel de ontmoeting rond en in de tent, als het gesprek daarna over Sodom. Dus voor mij is één van de drie een bijzondere presentie van God.

    Calvijn zegt hierover: “Dat hij (Abraham) echter één van hen bijzonder groet, is waarschijnlijk daarom geschied, omdat deze boven beide andere uitmuntte. Want wij weten, dat de Engelen meestal zijn verschenen met hun Hoofd Christus, en daarom wijst Mozes hier bij de drie Engelen één aan als het hoofd van het gezantschap.”

    Dus ik houd het in het verlengde hiervan maar op deze uitleg.

    Hartelijke groet,

    Vader.

  2. Beste pa,
    Hartelijk dank voor uw reactie. U stelt voor om ook eens vanuit Abraham en zijn reactie te kijken. Dat is een boeiend perspectief.
    Daarbij geeft u aan dat Abraham de man of mannen aanspreekt met Heere/Here. U schrijft dit met hoofdletter ‘H’ (doelend op God). Vanuit het Hebreeuws is dit echter niet duidelijk. Duidt Abraham hier inderdaad op God, of uit hij een algemene beleefdheid: ‘Mijnheer’ (tegen een -door hem verondersteld- mens gezegd dus?). Waarbij hij de leider van het groepje aansprak?

    Als we eerdere teksten erbij nemen, waarbij het wél overduidelijk is dat Abraham God aanspreekt, kun je bijv. denken aan: Genesis 15: 2 en 8. Daar spreekt Abraham God aan met ‘Here HERE’. Dan gebruikt hij dus ook de heilige verbondsnaam van God.
    Aangezien Abraham dat níet doet in Genesis 18:3 (enkel: ‘Adonai’, wat betekent: mijn heer, of mijn Heer), denk ik dat we de toch ook de mogelijkheid nog steeds open moeten houden dat Abraham in de veronderstelling verkeert een mens aan te spreken.

    Ook het feit dat hij deze ‘heer’ (en in hen ook de andere twee) de voeten wil wassen, eten voor ze wil klaarmaken, en ze wil laten rusten, vind ik vormen van gastvrijheid, waarvan je verwacht dat Abraham ze aan mensen geeft. Zou hij dit ook gedaan hebben als hij had gezien of vermoed dat hij de Here God tegenover zich had?

    Bij deze vorm van gastvrijheid, die, blijkens het vervolg, in ieder geval aan engelen is betoond, moet ik ook denken aan Hebreeën 13:1,2.
    Daar staat:

    ”Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd.”

    In mijn Bijbel wordt deze tekst via een voetnoot betrokken op dit verhaal uit Genesis 18:1-8.
    Hoewel je misschien ook wel zou kunnen denken aan Genesis 19, waar Lot de twee engelen herbergt.
    Hoe dan ook, als er ook werkelijk sprake van was dat Abraham Gód hier geherbergd had, zou dat dan ook niet vermeld zijn in deze nieuwtestamentische tekst?

    Deze vragen houd ik vooralsnog over als ik zo kijk naar Abrahams reactie.

    Tot zover even.

  3. Verder denkend over de vraag: wie zijn de sprekers in het verhaal?
    Ik probeer het hernieuwd op een rijtje te zetten:

    – Abraham, nadat hij drie mannen gezien had. Hij nodigt de mannen gastvrij uit. (v3,4)

    – Zij zeiden: ”Doe zoals gij gesproken hebt” (v5)

    – Abraham tegen Sara, haar opdragend een goed maal klaar te maken voor de gasten. Ook wordt er een knecht bij betrokken. Dan eten de gasten, onder de boom. (v6,7,8)

    – Zij (de gasten?) zeiden tot hem (Abraham?): ”Waar is uw vrouw Sara?” (v9)

    – Hij (Abraham?) zei: ”Daar, in de tent” (v9)

    – En hij zei: ”Voorzeker, zal ik (Ik?) over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben. (v10)

    Bij dit vers is het de vraag: wie is ‘hij’, die spreekt? Is dit God, of zijn engel? Ik neig naar: zijn engel (een van de drie mannen/engelen). Mede vanwege in de eerdere reactie genoemde argumenten. Maar ook, omdat je in andere bijbelverhalen waarin een wonderbaarlijke geboorte wordt aangekondigd, een engel namens God de boodschap ziet brengen. Zoals bij de moeder van Simson. Daar lezen we dat het de ‘Engel des HEREN’ is (Richteren 13:3). En bij Maria is het de engel Gabriël (Lucas 1:26).
    Tegelijk is het duidelijk voor mij dat de ‘ik’ die zal ‘wederkeren’ wél God Zelf is. Denk nogmaals aan Genesis 21:1. Daar staat dat de HERE Sara bezocht: ‘zoals hij (Hij?) gesproken had’. Hier lijkt het spreken wél op God te slaan. Dan word je ineens weer op het andere been gezet: was het dan toch God die sprak in Genesis 18:10?
    Ik denk dat we uit dit dilemma kunnen komen, door te bedenken dat engelen (en ook profeten) wel vaker kunnen spreken alsóf God Zelf spreekt (met gebruikmaking van ‘Ik’ – met hoofdletter, dus God Zelf). Of, nog sterker gezegd: engelen kunnen spreken waarbíj God Zelf spreekt. Via de stem van de profeet klinkt in feite Gods stem/boodschap door.
    Dan lees je Genesis 18:10 denk ik in al zijn kracht. De engel spreekt, maar in feite is het God Zelf die door hem spreekt. En mag je ‘Ik, die zal wederkeren’ inderdaad met een hoofdletter schrijven.

    – We gaan verder. Ondertussen, bij de ingang van de tent, lacht Sara bij het horen van de wonderlijke boodschap, dat zij een kind zal krijgen. (v12)

    – Toen zei de HERE tot Abraham: ”Waarom lacht Sara daar?” (v13)
    Hier is het duidelijk: God spreekt Zelf en rechtstreeks (dus zonder een engel) tot Abraham. Maar hoe zit dit dan? Was Hij dan toch een van de mannen/engelen? Of niet, en was Hij er op andere wijze bij? In een Joods commentaar staat een zin die ik – vooralsnog – wel mooi en overtuigend vind:
    ”The Divine Presence hovered invisibly over the entire scene” Ofwel: ”De Goddelijke aanwezigheid zweefde onzichtbaar over de gehele scene”.
    Deze uitleg doet zowel recht aan de aanwezigheid/rol van de drie mannen/engelen overeind, als aan Gods spreken tot Abraham.

    Tot nu toe zie je een opklimmende graad van Gods aanwezigheid:

    – eerst is Abraham in gesprek met de drie ‘mannen’
    – dan blijkt één van hen in Gods Naam te spreken (met dat ‘Ik zal wederkeren’)
    – vervolgens spreekt God Zelf (vanuit de volgens mij dus voor Abraham onzichtbare locatie waarvandaan Hij alle deelnemers aan deze ontmoeting, inclusief Sara, gadeslaat)

    Terzijde: zegt dit trouwens ook iets over het belang van gastvrijheid? Daar waar iemand (zoals Abraham) zó gastvrij is, dat daar God Zelf naartoe getrokken wordt en er zijn zegen – hier in de vorm van de belofte van Isaäks geboorte – aan verbindt?

    – als laatste dialoog horen we nu naar Sara. Zij hoorde blijkbaar Gods stem, die tot Abraham zei: ”Waarom lacht Sara daar?”
    en zij zei: ”Ik heb niet gelachen” (v15)

    – maar Hij (opnieuw Gods stem, naar ik denk dat we mogen aannemen) zei: ”Nee, gij hebt wél gelachen. Hier spreekt God dus rechtstreeks tot Sara.
    Daarmee is de opklimmende lijn van Gods spreken nóg verder gegaan:

    – de drie mannen
    – één van hen die in Gods Naam spreekt
    – God Zélf die tot Abraham spreekt (maar ook hoorbaar voor Sara)
    – God Zélf die tot Sara spreekt

    Vervolgens vertrekken ‘die mannen’ (de drie dus, lijkt me) (v16)

    Maar de HERE blijft aanwezig.
    Allereerst vanuit die verborgen aanwezigheid volgens mij, waarvan die Joodse uitleg sprak.
    Hij overlegt bij Zichzelf (17-20), zegt neer te dalen (v21), en dan staat Abraham vóór Hem en ontwikkelt er zich een direct gesprek tussen God en Abraham (v22-32)
    Tenslotte ‘gaat de HERE weg’ (v33).

    Tot zover denk ik dat we de ”puzzel” hebben kunnen leggen.

    Maar ik blijf nog een beetje zitten met het volgende vers: Genesis 19:1 over ”de twee engelen” die in de avond te Sodom kwamen. Veronderstelt dat dan tóch iets Bijzonders (met hoofdletter B) over de derde engel? Was in Hem toch iets van God aanwezig? En ook weer verdwenen? (juist ook omdat het vorige vers aangaf dat God weer verdween?)
    Je kunt het vermoeden, mede uit wat we zagen in dat spreken van die engel: waarin het goddelijke ”Ik” doorklonk.
    Was deze engel misschien de ”Engel des HEREN”?

    (net zoals je ook in het verhaal van de brandende braamstruik (Exodus 3) een vloeiende lijn ziet tussen de ‘Engel des HEREN’ die in de struik is (zo wordt gezegd in Exodus 3:2) en God Zelf (in die engel des HEREN was God Zélf aanwezig, vers 4 – want Gód riep hem uit de braamstruik toe). Tegelijk lijkt ook God hier ”boven” het toneel te zweven (zoals in de Joodse uitleg), want je leest ook: ”Toen de HERE zag dat hij (Mozes) het ging bezien (v4). Dat lijkt weer een blik van buitenaf, van overzicht, te veronderstellen.

    Dus… voorlopig houd ik het erop bij het verhaal over Abraham, dat God zowel ”boven het toneel” was, als ook in zekere zin aanwezig ín die ene man/engel. Maar Abraham had dit aanvankelijk niet in de gaten, dat lijkt me wel duidelijk op grond van eerder genoemde argumenten.

    • Met je typering van “opklimmende graad van aanwezigheid” van God, en van Gods aanwezigheid in een van de engelen, maar ook “boven het toneel” breng je de situatie invoelbaar onder woorden.
      Abraham blijft zijn gesprekspartner aanspreken met Heer, ook na het vertrek van de twee (vs.16) mannen/engelen naar Sodom. Maar de HEER is het die met hem in gesprek is en die hem antwoordt. Je ziet dat dat besef bij Abraham doorbreekt in de groeiende eerbied voor zijn gesprekspartner.

  4. dag Bart

    … 4 b , maak het u hier onder de boom intussen gemakkelijk…. vers 8 b ( Abraham is zeer gastvrij, hij eet niet mee) Terwijl zij aten, bleef hij bij hen staan onder de boom.
    voor zover ik het lees, is er niemand in Abraham,s tent, ja misschien Sara, ook dat is onduidelijk, Daar , in de tent vers 9
    Inderdaad het blijft steeds Heer, ook als er gezegd wordt vers 14, Is er voor de Heer iets onmogelijk ?
    Mijn vraag is dan wie zorgt voor Het Wonderlijke ?

    dan komt het verhaal vanaf vers 20 , de ernstige beschuldigingen , de klachten of die gegrond zijn.. weet de Heer dan niet alles ?
    Bij dit alles komt misschien ook wel de vraag , dat wat u collega schrijft in het klankbord : De Stem in het gebeuren!

    Tjonge het wordt steeds ingewikkelder,
    laten we ( het zicht ) maar houden op : Ik ben God , de Ontzagwekkende, leef in verbondenheid met mij….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s