Zondag 18 juni 2017 | Handelingen 10

templemenorahHandelingen 10 is het verhaal van Cornelius, de Romeinse officier uit Caesarea.
Hoewel hij geen Jood was, diende ook hij Israëls God.
Dat is op zich al een heel wonderlijk iets: een Romein die geboeid was geraakt door Israëls godsdienst en God.

Dit had ook de aandacht van God getrokken. Zozeer zelfs, dat God een engel naar hem toestuurde.
Deze engel gaf aan Cornelius de opdracht om Petrus te laten halen, die 60 km ten zuiden van de kuststad Caesarea, eveneens aan de kust woonde, in het oude stadje Joppe (Jafo/Jaffa).

Petrus woonde daar bij ene Simon in. En van deze Simon wordt verteld dat hij leerlooier was.

Nu moet je dit weten over leerlooiers: zij deden zeer impopulair werk, omdat in het hete klimaat van Israël het zich nog aan de huiden bevindende vlees al snel ging rotten en stinken.

De Talmoed zegt daarom:

”De wereld heeft zowel bereiders van parfum nodig, als leerlooiers. Gelukkig degene die parfumbereider is; wee degene die leerlooier is!”

Voor leerlooiers waren er toendertijd drie regels van kracht:

  • een leerlooier moest aan zijn buren toestemming vragen om zich te vestigen
  • een leerlooier was ontslagen van de plicht om de pelgrimsfeesten in Jeruzalem mee te vieren (stel je immers voor dat er leerlooiers in de dicht opeeengepakte massa liepen…)
  • de vrouw van een leerlooier had het recht van haar man te scheiden als ze het vanwege de geur niet meer bij hem uithield

(overigens, in de middeleeuwen gold in onze streken eveneens een bepaling ten opzichte van leerlooiers: zij dienden te wonen en werken búiten de stadsmuren)

Simon de leerlooier had een huisje aan zee, zo lezen we. Frisse zeewind!

Waarom Petrus zich uitgerekend bij hem gevestigd had?
We weten het niet. Wel zal het er heerlijk rustig zijn geweest.

Ik schets dit even om aan te geven dat het heel wat is als de Romeinen uiteindelijk bij Petrus te gast zijn. Als dienaren van deze elite-officier Cornelius waren zij waarschijnlijk eerder de geur van parfum en het goede leven gewend, dan de lucht van een leerlooiersbedrijf.
Je maakt het ook op uit het verhaal dat ze zich niet aangetrokken voelden door dit huis van Simon. Ze hadden eerst álle andere huizen afgezocht naar Petrus. En toen ze tenslotte bij Petrus aankwamen stonden ze (vanaf een afstandje; neus dicht?) te roepen of Petrus hier soms woonde.

Als blijkt dat het werkelijk zo is dat hij uitgerekend hier woont, gaan ze bij hem naar binnen en overnachten er zelfs. En daarmee zetten ze zich over iets heen, een taboe wordt doorbroken!

En daarover gaat het evenzeer bij Petrus.
Hij wordt, als Jood, uitgenodigd om bij een Romein (Cornelius) in huis te komen.
Ook daarop rustte een taboe.
Er bestond immers de mogelijkheid dat men onrein raakte, door contact met zaken die onrein waren in een dergelijk huishouden. Voor de zekerheid werd Joden daarom afgeraden of verboden om dit te doen.

Om Petrus over dit taboe heen te helpen schonk God hem het visioen van het laken, waarover HAndelingen 10 eveneens vertelt: een groot laken met daarop alle mogelijke dieren en vogels. Rein en onrein, alles door elkaar heen.
En een Stem, die zegt: ”Sta op, Petrus, slacht en eet”

Heel vaak is dit visioen door christelijke uitleggers verkeerd uitgelegd.
Dan maakte men ervan dat God hier de Joodse spijswetten ophief. En dat er dus door Petrus varkensvlees gegeten mocht worden.
Dat is wel een erg vergaande uitleg, die mijns inziens geen stand houdt als je de tekst goed leest.
Er staat alleen: ”Slacht en eet”. Als het werkelijk de bedoeling was geweest dat er een onrein dier door Petrus geslacht en genuttigd zou worden, had dat er ongetwijfeld bij gestaan. (overigens is dat redelijk ondenkbaar, omdat God dan zijn eigen geboden zomaar op zou heffen)

Als er staat: ”Slacht en eet” moet je daarom veeleer denken aan het slachten en eten van een rein dier.
Maar Petrus voelt daarbij een grote blokkade. Immers, rein en onrein liep dwars door elkaar heen.
De reine koe kon zomaar in contact zijn geweest met een onrein varken. En wat dan?
Daarom zegt hij (en zo staat het er letterlijk in het Grieks):

‘Ik heb nooit iets gegeten wat gemeenschappelijk of onrein is” (vers 14).

Het gaat hier vooral om het woordje gemeenschappelijk.
De koe leefde op dit laken gemeenschappelijk met het varken.
Hij was niet afgezonderd.

Toch zegt de hemelse Stem dat dit geen bezwaar hoeft te zijn.

En dáár zit juist de pointe.
Die conclusie trekt Petrus in vers 28 en 29: dat God hem heeft laten zien dat hij niet bang hoeft te zijn om het huis van een Romein binnen te gaan.

Hij zegt: ”U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan. Maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen.’

De kans op onreinheid mag voor lief worden genomen, ten gunste van het contact!

En daarmee doorbreekt de Geest het taboe op het contact met de Romeinen.
Petrus voelt dat, en gáát.
En van het een komt het ander.
Petrus gaat preken, in het bomvolle huis van Cornelius,
en als hij dat doet,
valt tot stomme verbazing van de Joodse metgezellen van Petrus de Geest nu ook op heidenen! (vers 44,45)

Hieruit blijkt overigens duidelijk dat Handelingen 2 (het Pinksterverhaal) helemaal geen ”verjaardag van de kerk” is, zoals zo vaak beweerd wordt. Geheel conform Gods belofte is het heil éérst en voor alles uit voor Israël. Het waren Joden uit alle windstreken die daar bijeen waren in Jeruzalem, voor het Wekenfeest. Pas in Handelingen 10 komt ook de Romein in beeld. Ook zij krijgen de Geest. De kerk uit de volkeren ontstaat daar, in de tweede plaats.
”Eerst de Jood, en ook de Griek.”

En dan doet Petrus tenslotte iets heel wezenlijks: hij laat Cornelius dopen.
Normaliter kon dat alleen maar als een heiden zich tot het Jodendom bekeerd had.
Dan liet deze zich besnijden en vervolgens werd hij door de doop der onderdompeling ingelijfd in Israël, het volk van God.
Zo’n bekeerling werd dan Joods gelovige, in volle rechten maar ook in volle plichten: om de héle Tora te gaan houden.

Die weg hoeft Cornelius blijkbaar niet te gaan.
Dat exclusieve van de besnijdenis en het leven in het licht van de vólle Tora, geldt alleen Israël.
Maar ook de volkeren mogen er bij horen.
Zij krijgen een kortere en lichtere route aangeboden.
Een doop zonder besnijdenis.
Een lichter pakket zogezegd.
Maar niet minder inhoudsvol.

Er helemaal bij mogen horen, dat is prachtig.
Tegelijk ontslaat dat de volkeren niet van de plicht te blijven beseffen dat Israël een zeer bijzondere en unieke positie blijft houden.
De besnijdenis, de sabbat, de spijswetten en al die zo kostbare zaken die de innige band met God aanduiden: ze horen bij Gods oogappel.

Maar ook Romeinen, Grieken, Nederlanders en wie al niet meer, mogen er bij horen.
Als ”aangenomen kinderen” zegt Paulus ergens.
Lid van hetzelfde huisgezin als onze oudste broeder, Israël.
Kinderen van één Vader!

Ik vind het mooi hoe dit verhaal laat zien hoe van twee kanten stappen naar elkaar gezet worden, hoe de Geest mensen naar elkaar toe leidt (op humorvolle wijze verteld, rond de leerlooier!).
Hoe Israël en de volkeren op elkaar betrokken worden.

Een teken van hoe het eens zal zijn.
Israël en de volkeren:
Principieel onderscheiden.
En tegelijk diep verbonden!

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s