Zondag 9 oktober 2016 | Genesis 32: 23-33

templemenorahHet gaat in Genesis 32: 23-33 over de nachtelijke strijd van Jakob met de onbekende man.

Wie was hij?
In de loop der tijden zijn verschillende en zeer uiteenlopende verklaringen gegeven.
Een rivierdemon?
De beschermengel van Esau?
De Engel des Heren?
God zélf?

Juist in dit mysterieuze ligt denk ik de aanwijzing om dit verhaal goed te begrijpen.
Want de identiteit van de man die met Jakob worstelt blijft ons verhuld.
Jakob daarentegen onthult zijn identiteit wél!

En daarmee lopen er opníeuw (zie ook bij vorige zondag) lijntjes naar dat ene, oude verhaal:
Jakob, die met list en bedrog de zegen van zijn broer Esau ontsteelt,
en zijn vader Isaäk bedriegt.

Wie ben jij? vroeg Isaäk.
Jakob loog: ‘Ik ben Esau.’

Nu krijgt hij opnieuw de vraag: hoe is je naam?
Hij krijgt deze vraag in het holst van de nacht gesteld.
Jakob had makkelijk opnieuw kunnen liegen;
immers in het donker van zijn tent had hij zelfs Lea niet van Rachel kunnen onderscheiden!

Toch zegt hij het ditmaal wél eerlijk:
ik ben Jakob (betekenis: hielenlichter)…

Wat eveneens opvallend is, is dat Jakob deze vraag krijgt
nadat hij eerst om de zegen van deze onbekende had gevraagd.
Opnieuw lijkt het wel of we weer in de tent zijn, bij de blinde vader Isaäk.
‘Vader, zegen mij!’
‘Wie ben je, jongen?
Zo was het toen.

En nu:
‘Ik laat u niet los, tenzij gij mij zegent.’
Waarop de onbekende zegt: ‘Hoe is je naam?

Wat ongelooflijk mooi dat Jakob hier, in een situatie met gelijke omstandigheden,
zo veranderd blijkt.
Dat hij nu wel uitkomt voor wie hij is:
Jakob, hielenlichter.

Maar blijkbaar heeft hij het gevoel dat dat kán, bij deze onbekende.
Dat hij zijn donkere kanten kan tonen,
en tóch mag blijven hopen op de zegen.

~~~~

Boeiend is het om te zien hoe alles ook precies ómgekeerd gaat.
Vervolgens vraagt ook Jakob naar de identiteit van de voor hem onbekende man.
‘Zeg toch uw naam!‘ (vers 30).

En dan die reaktie:
‘Waarom eigenlijk vraag je naar mijn naam!’
En hij zegent hem daar. (eveneens vers 30)

Steeds duidelijker wordt dat het God zelf is, met wie Jakob hier in deze man van doen heeft.
Zo zal hij het zelf ook zeggen:
hij noemt de plaats:
Pniel (aangezicht van God), omdat ik God heb gezien van aangezicht tot aangezicht.
(vers 31).

God, die inderdaad zijn Naam voor ons verborgen houdt.
Die tegen Mozes hooguit zegt: ”Ik ben wie ik ben.”
Maar dat is genoeg!

God blijft wel in het verborgene voor ons.
Hij is zó groot, wij zouden Hem niet eens kunnen omvatten.
Of zijn heerlijkheid verdragen.
Maar tegelijk komt zijn zegen wél naar ons toe,
in al zijn volheid.

Zonder dat wij Hem doorgronden,
doorgrondt Hij óns wel, en heeft ons innig lief. (Psalm 139).
En zegent Hij.

Zijn zegen: bedoeld voor mensen die hun masker afzetten.
Die eerlijk zeggen wie ze zijn,
met hun mooie en minder mooie kanten.
En wat is het dan prachtig dat dít gebeurt:
God voegt er zelf genadig een nieuwe naam aan toe:
Israel zul je voortaan heten.
Je hebt immers met open vizier gestreden.

En dan?
Dan gaat de zon over Israël stralen! (vers 32)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s