Zondag 8 november 2015 | Markus 12: 28-34

templemenorahAfgelopen zondag lazen we over het gesprek tussen de Sadduceeën en Jezus (over de opstanding).
Markus vertelt vervolgens dat één van de schriftgeleerden ervan overtuigd was dat Jezus goed had geantwoord.
Vanuit een stuk herkenning en verdere nieuwsgierigheid naar de visie van Jezus op de dingen, was deze schriftgeleerde benieuwd om te horen wat Jezus’ visie op de Tora was:

Welk gebod is het eerste van alle? (28)

Hij wilde wel eens weten wat voor Jezus de belangrijkste Bijbeltekst was.
Het is allereerst goed om vast te stellen dat dit dus géén strijdgesprek betreft.
Vaak wordt er gedaan alsof de Here Jezus altijd in de clinch lag met de schriftgeleerden of zij met Hem, maar dat is zeker niet altijd het geval.
We zijn nu getuige van een prachtig voorbeeld, hoe de Here Jezus, als ook zelf Joods schriftgeleerde met een collega in gesprek gaat.
Daarbij past Hij in zijn antwoord een uitlegkundige techniek toe, die toen (en nu) in het Jodendom algemeen erkend was/is.
Ik doel op de methode van de ‘gezera shava’, een moeilijk woord voor het volgende:
als twee verschillende teksten eenzelfde kernwoord hebben, dan worden deze twee teksten geacht elkaar te complementeren, iets over elkaar te zeggen.
(wie meer over Joodse exegese wil lezen, kan heel goed terecht bij het zeer informatieve ‘Talmoedisch denken‘ (hoofdstuk 6) van Rabbijn Mr. drs. R. Evers, of bij het weliswaar engelstalige maar toegankelijk geschreven ‘Hidden Treasures – The First Century Jewish Way of Understanding the Scriptures‘, van Joseph Shulam).

Maar om terug te keren: ook Jezus gebruikt deze methode vanuit zijn Jood-zijn.
Hij kiest daarbij dus twéé teksten uit de Tora, en niet één, waar de schriftgeleerde toch feitelijk naar vroeg.
Blijkbaar zijn liefde voor God en liefde voor de naaste niet los van elkaar verkrijgbaar.
Als je God liefhebt, kun je niet om je naaste heen.
En als je je naaste liefhebt, ”heb” je daarmee tegelijk God. (zie ook bijv. 1 Joh.4: 7 en12)

Want daar gaat het hier over: over ”liefhebben”: liefhebben van God en liefhebben van de naaste.
Dat is het kernwoord in beide teksten die Jezus aanhaalt. Beide kennen de opdracht:

Ge zult liefhebben”.

Deuteronomium 6: ”Ge zult liefhebben de HERE, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.”

Leviticus 19:18: ”Ge zult liefhebben wat van uw naaste is.”

Dan nu een paar inhoudelijke woorden bij deze twee teksten.

Deuteronomium
Deze tekst vormt de centrale geloofsbelijdenis van Israel:

Hoor, Israel, de HERE is onze God,
de HERE is één!

Centraal staat hier Gods eenheid.
Wat wordt daarmee bedoeld?
Dat begrip snap je pas, als je bedenkt tegen welke achtergrond dit woord klonk:
dat van het verblijf van de Israelieten in Egypte als slaven, waaruit ze recent bevrijd waren.
Toen participeerden ze (lees Ezechiël) in een maatschappij waarin een veelgodendom gepraktiseerd werd.
Voor ieder levensthema was er wel een godheid: een god voor de oorlog, de liefde, de oogst, etc.etc.
Maar je had er geeneen bij wie je met álles van je leven terecht kon.
Dat wordt nu voor het éérst verkondigd aan de Israelieten:

Luister, hoor, Israel! Wat je nu gaat horen is nieuw, en het horen waard!
Júllie God is één!
Je kunt dat woordje ”één” daarom ook goed weergeven, denk ik, met zoiets als: compleet.
Jullie hebben een complete God, wiens liefde voor jullie compleet is.
Dat gaf Zijn doorzettingsvermogen wel aan. Toen de tegenstand van de farao steeds heftiger werd, gaf God niet op, maar Hij gíng voor jullie.
Zijn hart klopt voor de volle 100% voor jullie.
Tussen haakjes, altijd goed om te blijven bedenken, dat Gods liefde voor Israel een compléte liefde is!

En van daaruit wordt daarom ook Israel opgeroepen om God lief te hebben, ook voor de volle 100%.
Met héél je hart (niet met 99%), met héél je ziel, met héél je kracht (NB: gelukkig niet met je zwakheid, maar met je kracht, waar je goed in bent en waar je plezier in hebt, mag je God dienen).
Als Gods hart 100% voor Israel klopt, moet die liefde dus ook voor 100% beantwoord worden.
Trouwens: als je één adres voor alles van je leven hebt, dan ga je dáár toch heen?

Dat onderstreept Jezus hier. Dat is het allerbelangrijkste wat er te zeggen valt vanuit de Tora.

Leviticus
Dan stelt Jezus Leviticus 19:18 centraal:

Je zult wat van je naaste is liefhebben, als jezelf.

Over de uitleg van deze tekst heb ik ook geschreven in mijn ”Gewoon anders – kerk zijn volgens Leviticus 19”. Om hier kort te gaan: rabbijnen hebben er de vinger bij gelegd dat hier niet staat: ”je naaste liefhebben”, maar ”wat van je naaste is, liefhebben”.
Dat is een klein, maar belangrijk verschil. Het zwakt de tekst niet af, maar maakt hem juist concreter.
Waar gaat het namelijk om bij het werkwoord ”liefhebben” in het Oude Testament?
Nooit in de eerste plaats om een zoetig gevoel van sympathie dat je te allen tijde voor iedereen moet koesteren.
Dat lukt ons mensen niet. Je zelfs kunt vijanden hebben, in het meest extreme geval. Daar voel je geen sympathie voor.
Vanuit dat realisme denkt ook het Oude Testament.
Maar dat laat onverlet, dat je ook je vijand kunt liefhebben.
Hoe dan?
Door hem bijvoorbeeld water te geven, als hij dorst heeft. Ook al is hij je vijand, hij is en blijft een mens, die recht heeft op zijn eerste levensbehoeften.
Die zul je hem moeten geven. (zie Spreuken 25:21 waar dit centrale liefdesgebod klinkt, een tekst die ook door Paulus overgenomen is in Romeinen 12:20).
Kortom, liefhebben is in de Bijbel eerder een werkwoord dan een gevoelswoord.
Geef de ander wat hem toekomt, wat hij nodig heeft om mens te kunnen zijn, ongeacht wie hij is.
Daar gaat het om.

En zó leest dus ook letterlijk Leviticus 19:18:

Heb lief wat van je naaste is.

Heb lief, waardeer hoog, wat de ander toekomt. En gééf hem dat.
Dat geldt trouwens ook weer voor dat eerste gebod: God liefhebben.
Want komt onze liefde God niet gewoonweg toe?
Hem die Israel (en in Israel ook alle volkeren) zó diep heeft liefgehad en liefheeft?

Je kunt God rechtstreeks liefhebben, door Hem je hart, je ziel te geven, zegt Jezus vanuit Deuteronomium.
Je kunt Hem ook met je kracht liefhebben. En daar ligt dus ook de link naar de naaste.
Je kunt je kracht concreet gebruiken, ten goede van de ander, vriend én vijand.
Dan heb je dus automatisch God lief, want je doet bovendien dan bovendien iets wat Hij graag ziet, en wat dus je relatie met Hem versterkt.

Het tweede gebod is aan het eerste gelijk, zegt Jezus.

En de schriftgeleerde betuigt volledig zijn instemming!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s