Zondag 29 maart 2015 Markus 14: 53-72

templemenorahOok in dit gedeelte van het lijdensevangelie zien we hoe Markus tegenstellingen schetst. Eerst valt de nadruk op Jezus voor het sanhedrin.
Opvallend is hoe Hij, terwijl het toch om zijn leven gaat, geen enkele beschuldiging ontkent.
Hij zwijgt.
Op den duur onderstreept Hij zelfs een ‘aanklacht’.
Indrukwekkend is de rust die Hij uitstraalt.
Het vertrouwen.
Dicht bij zijn kern.
Bij zijn Vader.
Bij Zichzelf.

Wat een tegenstelling vormt dit met Petrus.
Bij hem regeert de angst.
Toegegeven moet hem worden dat hij Jezus dan toch maar gevolgd was,
terwijl allen weggevlucht waren (v.50,54).
Weliswaar volgt Petrus Hem van verre, maar hij gaat toch maar wel tot ‘binnen op de hof van de heiligdomsoverste‘ (v.54).
Je moet maar durven!
Petrus moet toch zoiets gehad hebben van: wat ik nog maar kort geleden beloofde (Jezus trouw blijven),
zal ik waarmaken ook!
Tegelijk vertelt dit verhaal hoezeer hij van zijn voetstuk valt,
als langzaam maar zeker de druk op hem vergroot wordt.

Eerst horen hoe we een enkel dienstmeisje Petrus met Jezus verbindt (67):
Jij was ook bij de Nazarener, Jezus!
Petrus ontkent, en doet veiligheidshalve al een stap naar buiten, bij Jezus vandaan.
Van het binnenste van de heiligdomstoverste naar de voorhof (ik hoor hier trouwens iets in van een vergelijking met de tempel: als het ware van het gebied van het ‘heiligste, de nabijheid van Jezus, naar de voorhof, het buitengebied van de tempel, waar de afstand al wat groter is).
Dan kraait er een haan, vertelt Markus.
Een alarmbelletje dat afgaat (of beter: af had moeten gaan): niet bij Jezus weggaan!
Maar… de druk neemt toe, want ook daar in de voorhof ziet dat ‘ellendige’ slavinnetje hem en betrekt zij de omstanders erbij: ”Dit is er een van hen!’ (69).
Een klein verschil overigens met de vorige zin van het slavinnetje: ditmaal betrekt ze Petrus bij de leerlingen van Jezus: (”jij bent ook een christen”).
Maar opnieuw loochent Petrus het.
Tenslotte wordt de druk helemaal groot, want dan richten de omstanders zich gezamenlijk tot Petrus:
‘Waarachtig, jij bent er een van hen,
want je bent ook een Galileeër!’ (70).

Wat dan gebeurt is verschrikkelijk.
Petrus begint te vloeken
en met een eed zweert hij dat hij Jezus niet kent.
Hoor hoe hij het zegt:
‘Ik heb geen weet van ”die mens” over wie gij spreekt!’
Petrus die zijn Heer keihard wegzet met de woorden: ‘die mens’.
Petrus die bovendien bij Gods naam zweert dat Hij Jezus niet kent.
Hier heeft hij zichzelf op de meest vergaande wijze losgemaakt van Jezus.

Direkt kraait dan de haan opnieuw.
Ditmaal drinkt het gekraai echter wel door tot achter zijn angst,
en bereikt het diepste zelf van Petrus.
Hij herinnert zich de woorden van zijn Heer,
die dit blijkbaar al hadden zien aankomen.

En er breekt iets in Petrus.
Hij vergeet zijn angst,
de mensen om zich heen door wie hij zich bedreigd voelt.
Hij werpt zich neer en barst uit in een weeklacht.

Met dit door het hart snijdende tafereel eindigt de evangelielezing voor zondag.

Het persoonlijke drama van een mens die dacht sterk te staan,
rotsvast,
maar zwakker bleek dan hij zelf dacht.
Die, nu puntje bij paaltje kwam, zijn kleinmenselijke liefdeloosheid onder ogen zag.
Die trouwens ook zomaar in ons hart schuilt.
Een troosteloos einde.

Misschien één troost:
Petrus herinnerde zich dat Jezus hem dit al gezegd had.
Hij had er toen niets van willen weten en het diep weggestopt.
Maar schuilt daar niet iets hoopvols in:
Jezus kende hem ook -bij voorbaat- in zijn zwakheid en falen.

Zoals de Psalm het zegt:

Hij weet wat voor maaksel wij zijn,
dat wij stof zijn
(Psalm 103: 14)

En zegt diezelfde Psalm niet:

Zover de zonsopgang is van waar de avond daalt,
doet hij onze misstappen
ver van ons weg.

Zou ook dit besef meegespeeld hebben in de tranen van Petrus?
Een geraakt zijn, niet alleen door zijn eigen ellendige gedrag,
maar ook door de trouw van God en zijn Heer Jezus?

Inderdaad een tegenstelling waar je de tranen van in de ogen kunt krijgen.
Van bitterheid om het eigen menselijke tegenvallende gedrag.
Van geraakt zijn door Zijn zuivere liefde
die dit alles over zich heen krijgt,
en draagt.

Markus 14: 53-72 (Naardense Bijbel)

53

Ze voeren Jezus weg,
naar de heiligdomsoverste,
en dan komen allen samen:
de heiligdomsoversten, de oudsten
en de schriftgeleerden.

54

Petrus volgt hem van verre
tot binnen op de hof van de
heiligdomsoverste;
bij de bedienden is hij gaan zitten,
zich warmend aan het licht.

55

De heiligdomsoversten en heel het sanhedrin
hebben een getuigenis tegen Jezus gezocht
om hem ter dood te brengen,
en hebben er geen gevonden.

56

Want velen hebben
leugenachtig tegen hem getuigd,
en ook zijn de getuigenissen
niet gelijkluidend geweest.

57

Enkelen zijn opgestaan
en hebben leugenachtig tegen hem getuigd,

58

zeggend: wíj hebben hem
horen zeggen ‘ík zal deze tempel,
die met handen gemaakt is, ‘oplossen’,
en zal in drie dagen een andere bouwen,
niet met handen gemaakt!’

59

En ook zó is hun getuigenis
niet gelijkluidend geweest.

60

Dan staat de heiligdomsoverste op,
(loopt) naar het midden,
ondervraagt Jezus
en zegt:
beantwoordt u niet
wat zíj tegen u getuigen?

61

Maar hij is blijven zwijgen
en heeft helemaal niets geantwoord.
Weer heeft de heiligdomsoverste
hem een vraag gesteld;
hij zegt tot hem:
ú, bent u de Gezalfde,
de zoon van de Gezegende?

62

Jezus zegt: dat bén ík,
en ge zult zien
‘de mensenzoon gezeten ter rechterhand
van de Kracht’ (Ps. 110,1) en
‘komende met de wolken des hemels’
(Dan. 7,13)!

63

Maar de heiligdomsoverste
scheurt zijn gewaden en zegt:
waarvoor hebben we nog getuigen nodig?-

64

ge hebt de godslastering gehoord;
wat schijnt u toe?
Zij zijn allen van oordeel geweest
dat hij des doods schuldig was.

65

Dan beginnen sommigen
hem te bespuwen, zijn aanschijn te omhullen
en hem klappen te geven;
ze zeggen tot hem: profeteer (maar)!,
en onder kaakslagen nemen de bedienden
hem mee.

66

Terwijl Petrus
beneden in de binnenhof is,
komt een van de slavinnetjes
van de heiligdomsoverste binnen,

67

en als zij Petrus ziet die zich warmt,
zegt zij, kijkend op hem: jíj was óók
bij de Nazarener, Jezus!

68

Maar hij loochent dat en zegt:
én ík weet niet én ík snap niet
wat jíj zegt!
Hij gaat uit naar buiten, naar de voorhof.
Dan kraait er een haan.

69

Als het slavinnetje hem daar ziet
begint zij tot de omstanders
wéér te zeggen ‘dit is er (een) van hen’.

70

Maar wéér heeft hij het geloochend.
En korte (tijd) later
hebben de omstanders weer
tot Petrus gezegd: waarachtig,
je bent er (een) van hen,
want je bent óók een Galileeër!

71

Maar hij begint te vloeken en te bezweren:
ik heb geen weet van die mens
over wie ge spreekt!

72

Meteen kraait er voor een tweede (keer)
een haan.
Dan herinnert Petrus zich het woord
zoals Jezus tot hem heeft gezegd:
voordat er tweemaal een haan zal kraaien
zul je me driemaal verloochenen!
En zich neerwerpend
is hij in een weeklacht uitgebarsten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s