Hemelvaartsdag 13 mei 2021 | Ezechiël 1 en Lukas 24

Preek op Hemelvaartsdag 13 mei 2021

Ezechiël 1:3-5, 26-28
Lukas 24:49-53

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We lazen twee verhalen vanmorgen, waarbij het ging over de hemel, en het naar de hemel toe gaan.
We mogen weten dat de hemel er is.
Maar hoe precies?
Hoe ziet het er daar uit?
Daar ben je misschien wel eens benieuwd naar.
Maar… geen mens die het weet.

Ezechiël mocht er even een blik in werpen.
En wat je dan voortdurend hoort is dit:

‘’ik zag iets, dat er uit zag als…’’:

‘’iets dat glansde áls wit goud’’
‘’iets dat léék op vier wezens’’
‘’iets dat léék op een troon’’
‘’een gedaante áls van een mens’’
‘’iets áls vuur’’
‘’een stralende gloed, zoáls de regenboog’’

Met andere woorden, Ezechiël, die een inkijk mocht hebben in de hemel,
laat zien dat het onbeschrijfelijk anders is, wat je daar te zien krijgt.
Daar hebben wij mensen letterlijk geen woorden voor.

Ezechiël heeft dan ook geen andere reactie, dan dit:
zich voorover werpen op de grond.
Hier niet langer naar kijken.
Maar het hoofd naar de aarde richten.
En het verder over je heen laten komen.

Dit, gemeente, vertelt ons iets heel belangrijks op Hemelvaartsdag.
We herdenken vandaag dat de Here Jezus naar de hemel is teruggekeerd.
Die plaats, die wij niet kunnen begrijpen, niet kunnen overzien.
We kunnen de hemel al niet eens aanwijzen.
Hoe ver weg bevindt hij zich wel niet van ons mensen vandaan?
Toen Jezus ten hemel voer, waar ging Hij toen precies heen?
En als mensen sterven, waar is dan de hemel?

Kom je er, als je een raket het heelal in zou sturen, die maar lang genoeg doorvliegt?
Of, is de hemel van een totaal andere orde dan onze aarde en het heelal,
en vind je de hemel in een heel andere dimensie, een vierde dimensie,
die wij mensen nu niet kunnen zien? Dat wordt ook wel eens gedacht.

Hoe dan ook, de tekst uit Ezechiël laat ons zien dat, zelfs al zou je in de hemel kunnen kijken, je zou er niets van snappen.
Als wij met onze aardse ogen er in mogen schouwen, zoals Ezechiël dat mocht,
dan kom je niet verder dan: ‘’het lijkt een beetje op dit, of dat’’.
Zó indrukwekkend mooi is het daar.

Daarom moeten we ons op Hemelvaartsdag maar niet al te zeer op de hemel richten.
Hoe vreemd dat misschien ook klinkt.

We horen immers nóg iets heel belangrijks in Ezechiël.
Dit: de hemel is vlakbij.
Gods glorie komt naar Israël tóe.
En waar is Israël op dat moment?
In ballingschap. In Babel.

’Ik woonde te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal toen ik dit visioen kreeg’’,
zegt Ezechiël in vers 1.

Het Kebarkanaal was verbonden met de rivier de Eufraat en voorzag Babylonië van water.
Aan dat kanaal woonden de Joodse ballingen.

Dáár werd Ezechiël ‘’door de hand van de HEER gegrepen.’’ (vers 3)

Een kostbare uitdrukking, die laat zien dat God de mens kon bereiken, ook in de ballingschap.
Zoals David ooit dichtte (Psalm 139): waar ik ook heen zou gaan, uw hand zou mij vasthouden.
Dát is het bijzondere aan dit verhaal:
de hemel zoekt Ezechiël, en daarmee ook het volk Israël, op, ín de ellendige situatie waarin het zich bevindt. Door eigen schuld nog wel.

Daaraan herinnert wat Ezechiël vertelt:

Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden,
een grote, gloeiende wolkenmassa,
een vuur van bliksemflitsen.
 (vers 4).

Dit indrukwekkende beeld herinnert aan wat Jeremia profeteerde,
dat de vijand (Babel) vanuit het noorden zou komen om de Judeeërs in ballingschap te voeren.
Het noorden – de kant vanwaar het onheil komt.

Maar, tegelijk kwam mét die dreigende stormwind (die inderdaad over Israël en Juda gekomen wás), nóg iets mee:

Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. (vers 4)

En dat komt ook weer terug in de verdere beschrijving.
Ezechiël zegt dat hij daar een gedaante zag ‘als van een mens’ (vers 26)

Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn
zag ik iets dat glansde als wit goud.
(vers 27)

Wit goud, dat is een uiterst kostbaar metaal.
Het laat iets zien van Gods hemelse heerlijkheid.
Die blinkende kostbaarheid kwam dus méé in die dreigende wolk.

En daar gaat om:
dat Gods hemel naar zijn volk tóekomt, op het moment dat men in de ballingschap verkeert.
In die dreigende wolk die herinnerde aan Gods oordeel, de ballingschap, was tegelijk zijn genade verborgen.

Ook de kleurenpracht die te zien was, doet denken aan Gods genade:

Ik zag een stralende gloed,
zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken,
zo zag die gloed eruit.
(vers 28)

Een soort regenboog, die doet denken aan Gods genade na afloop van het zondvloedverhaal.

Kortom, aan alles wordt duidelijk:
Gods hemel zoekt zijn volk op aarde op.
Als de situatie voor hen verre van rooskleurig is,
is de veelkleurigheid van de regenboog nabij.

We hoeven niet alles van de hemel te snappen
en we kunnen er ook lang niet alles van begrijpen,
als we maar wel dít onthouden: Gods hemel is niet vér!
Hij zoekt zijn mensen op, waar zij zich ook bevinden.

Een troostvolle boodschap!

Zit dát ook niet achter het verhaal van Jezus’ hemelvaart.
Jezus ging naar de hemel.
Naar die indrukwekkende plaats, waar Ezechiël over vertelt.

En dan verwacht je dat de discipelen teleurgesteld, verdrietig,
huiswaarts zouden zijn gekeerd.

Maar nee, niets van dat alles. Lukas vertelt:

Ze brachten Hem hulde
en keerden in grote vreugde terug naar Jeruzalem,
waar ze voortdurend in de tempel waren en God loofden
. (vers 52-53)

Kortom, ook zij hadden er iets van gevoeld
dat het niet erg was dat Jezus weer naar de hemel ging.

Hij was weliswaar niet meer zichtbaar op aarde,
maar zou wél voor hen blijven zorgen.
De hemel zou nooit ver weg zijn.

Zo vertelt Lukas het ook:

Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen heen
en werd Hij opgenomen in de hemel
. (vers 51)

Dat Jezus naar de hemel ging, was innig verbonden met het feit dat Hij hen zegende!
En de zegen, dat is de handoplegging,
zoals dat ook iedere zondag in de kerk gebeurt, namens Jezus, de Vader en de Geest.

Vertelde Ezechiël dat ook niet, dat Gods hand hem vastgreep, toen hij iets van de hemel te zien kreeg? (vers 3)

En, zouden we misschien mogen denken aan Jezus, als Ezechiël zegt dat hij ‘iemand als een mens’ in de hemel ontwaarde?
Dat wordt door sommige bijbelgeleerden wel vermoed.

Hoe dan ook, duidelijk is dat Jezus’ hemelvaart voor de discipelen blijdschap betekende.
Zij hadden gezien dat Hij hen zegende, toen Hij ten hemel voer!

En dat mogen ook wij weten, deze Hemelvaartsdag.
De zegen van Jezus rust ook op onze hoofden,
niet alleen op Israël, maar ook op alle volkeren, die zich gezegend mogen weten.

Nogmaals: zijn hand op uw en jouw hoofd!

Ja, dan mag het ook onze reactie zijn om, net als Ezechiël, ons als het ware neer te werpen,
een houding van onderdanigheid, ontvankelijkheid, over je willen laten komen wat deze God en Heer over je wil doen,
omdat je heel diep van binnen voelt: wat Hij voor mij doet, is goed.
Hij geeft ook mij zijn zegen.
En vanuit de hemel, ook al zie ik die niet, zorgt Hij voor mij.

De discipelen gingen heen, naar de tempel, en loofden God.

Wij zijn naar de kerk gegaan vanmorgen, of luisteren thuis mee,
en ook wij mogen datzelfde doen.
God loven.
Voor alles wat Hij voor ons mensen heeft gedaan.
Wij loven Hem, met dat prachtige loflied:

Wij loven U, o God, belijden U als Heer.
Eeuwige Vader, U geeft heel de wereld eer.
U zingen alle heemlen, serafs, machten, tronen,
onafgebroken rijst hun lied op hoge tonen:
Gij, driemaal heilig zijt Gij, God der legerscharen,
wiens grootheid, aarde en hemel, heerlijk openbaren!

Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s