Zondag 17 april 2016 | Numeri 27:12-23

templemenorahIk heb gekozen om zondag te focussen op de lezing uit het Oude Testament, waar het gaat over de opvolging van Mozes.
Er is hier iets heel bijzonders aan de hand, wat bijna nergens voorkomt in de Tora:

Mozes neemt de vrijheid om Gód aan te spreken en Hem een opdracht te geven.

Normaliter is dat omgekeerd, en lezen we:

De HERE sprak tot Mozes:...”

Dat vraagt de etiquette: de meerdere spreekt de mindere toe.
Wie bij de koning op bezoek gaat, moet wachten tot hij door de koning aangesproken wordt, of iets gevraagd krijgt, maar mag dat niet zélf zomaar doen.
Hoeveel te meer bij God.

Toch wordt er (vers 15) een gedeelte ingeleid, dat begint met:

Mozes sprak tot de HERE, …”

Hij neemt dus vrijmoedig het initiatief.
Wat zijn initiatief extra bijzonder maakt, is dat hij God zomaar instructies geeft.

Wat is er dan aan de hand, dat Mozes hier alle regels doorbreekt?

God had hem zojuist te verstaan gegeven dat hij het Beloofde Land niet in zou mogen, maar zou sterven.

Tóen kwamen deze woorden van Mozes.
Wat ze nóg weer extra bijzonder maakt, is dat ze niet over hemzelf gaan.
Dat was te verwachten geweest:
in een soort laatste poging te proberen of het nog anders kon worden voor hemzelf.

Maar daarover geen woord bij Mozes.
Zijn grootste zorg betreft niet zichzelf, maar het volk van Israel.

Dat ze zouden zijn als ”schapen zonder herder” (vers 17), als hij, Mozes, er niet meer was.
Daarom draagt Mozes aan God op opvolging te regelen.

Dit gedeelte tekent Mozes ten voeten uit.
Met recht de grootste figuur van het Oude Testament.
Voor de Joden: ”Moshe rabbeinu” (Mozes, ónze rabbijn).
Want net als eerder (bij het gouden kalf) komt hij ook hier weer,
zichzelf wegcijferend,
op voor de belangen van het volk.

En wat mooi wat je dan vervolgens ziet:

De Here God, hierdoor zichtbaar geraakt, gaat volledig mee in Mozes’ verzoek.
Want wie pleit voor Israel, pleit voor Gods oogappel!
(denk hier eens heel goed bij na, een ieder wie meent te denken dat Israel er niet (meer) toe zou doen)

We zien tegelijk hoe Mozes hier helemaal door God gerehabiliteerd wordt.
Was er bij de aanvang van het tekstgedeelte nog sprake van Mozes als ”rebel” (vers 14),
nu heeft God het over de ”glans van Mozes” (vers 20)
die overgedragen zal worden op het volk via zijn opvolger.
Mozes: een figuur met glans, in Gods ogen!

Naast Numeri lezen we ook Johannes 10:1-11.
Daar gaat het over Jezus, die van zichzelf zegt dat Hij de Goede Herder is.
Een gedeelte waarin veel uit Numeri doorklinkt.

  • Allereerst was Jezus er een zoals Mozes: zichzelf wegcijferend in het belang van het volk. Zelfs zijn eigen dood was hier ondergeschikt aan (dat hoeft geen nader betoog na Goede Vrijdag en Pasen). Zo is een goede herder, zegt Jezus.
  • woorden als ”uittrekken en binnenkomen” vinden we zowel in Numeri als Johannes (Num.27:17,21 en Joh.10:9). Het de stal in- en uitgaan.
  • Deze akties van het volk (uit- en intrekken) hebben alles te makenmet het hóren van de stem van de herder/leidsman. Het was Mozes’/Gods zorg dat Zijn geboden gehóórd zouden worden (want alleen dán zou het Israel goed blijven gaan). Jozua zou degene zijn die Gods geboden aan het volk zou doorgeven, en naar wie gehoord zou worden (Num.27:19,20).
  • In Numeri 27:21 staat bovendien dat het volk op Jozua’s ”mond” zal uittrekken in ingaan. Vergelijk dit met Johannes 10:3,4, waar de Here Jezus van zichzelf zegt dat het volk Israel naar zijn ”stém” zal horen en Hem zal volgen. Dit is hier dus ook diep mee verbonden: met de geboden van God die Hij het volk leert, als de ware opvolger van Mozes en degene die het volk weer helemaal tot God brengt en bij Hem houdt.
    De mensen zouden Hem vertrouwen.

Prachtige lijnen dus tussen Mozes en Jezus.

En als we dan denken aan Mozes, die bezorgd was om zijn opvolging,
en Gods antwoord, namelijk dat Jozua iets van de glans van Mozes zou hebben (en het dus goed zou komen), dan geeft dat moed.

Uiteindelijk was Jezus (wiens naam sterk lijkt op die van Jozua) die opvolger.

En nu ook Hij niet meer hier op aarde is, zijn wij ook een beetje die opvolgers, en luidt de vraag:
is iets van zijn glans zichtbaar in ons, voor anderen?

Hoe moest Mozes dat trouwens doen, iets van zijn glans overdragen op zijn opvolger?

Dat lezen we in het voorafgaande vers (Num.27:19), waar we lezen dat hij de geboden mocht overdragen.
Blijkbaar staat het overdragen van de geboden gelijk aan het overdragen van de eigen glans.

Want een mens gaat pas echt glanzen als hij leeft uit Gods Tora.

Jezus deed dat ten volle.
Hij was gekomen om Gods Tora te vervullen.

En zo heeft Hij die glans ook op ons overgedragen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s