In het Pinksterevangelie van Handelingen 2 staat een rijtje namen, dat bij vele voorlezers ‘berucht’ is, vanwege de uitspraak.
Je breekt er makkelijk de tong over:
Parthen, Meden, Elamieten,
inwoners van Mesopotamië, Judea, Cappadocië, Pontus en Asia
Frygië, Pamfylië, Egypte en de streken van Libië (dat bij Cyrene ligt),
alsook de hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als proselieten (bekeerlingen tot het Jodendom, red.)
Kretenzen en Arabieren.
In een boeiend artikel 1) vraagt collega C.P. de Boer (chr.geref. predikant en docent bijbelse Theologie aan het Hersteld Hervormd Seminarie) aandacht voor de compositie van Lukas en Handelingen, dat als een tweeluik beschouwd kan worden. Dit tweeluik begint (Lukas 2, keizer Augustus, de volkstelling) en eindigt (Hand. 28, Paulus in Rome) in Rome.
Opvallend aan de lijst uit Handelingen 2, zo signaleert collega De Boer, is dat hierin de Parthen worden genoemd. Zij wisten (net als de Galliërs uit de befaamde strip Asterix; eigen toevoeging, red.) altijd weerstand te bieden, en zijn nooit door de Romeinen overheerst.
Dat geldt voor meer van de genoemde volkeren, bijv. ook de Elamieten en Meden, die in één adem met de Parthen worden genoemd.
Juist deze volkeren, die niet onder de keizer vallen, worden als eerste genoemd.
Deze mooie verbanden nodigden mij uit om zelf verder te denken.
Daarbij zou ik ook wel het woord ”humor” willen gebruiken.
Want als je het zo beschouwt, met de ”gewichtige” keizer Augustus aan het begin (Lukas 2) en de evenzeer ”gewichtige” keizer aan het eind bij wie Paulus over Jezus zou getuigen (Handelingen 28) – en je bedenkt dan dat Lukas bij het Pinksterverhaal nota bene de Parthen als eerste noemt, die weerbarstige vrije vogels, dan lijkt dat inderdaad iets met een knipoog te zeggen te hebben:
de Geest (van koning Jezus) bestrijkt in de eerste plaats het gebied buiten Rome.
Het gebied waar Rome geen vat op krijgt, daar heeft de Geest van de Here Jezus wél vat op.
Daarmee wordt ook gezegd: Rome kan op Hém geen grip krijgen.
Daarnaast heeft het voor mij ook nog iets van: ‘God heeft het kleen verkoren’:
niet het machtige Rome wordt als eerste genoemd, maar een barbarenvolk.
En, o ja, Lukas zou het bijna vergeten zijn: er waren óók nog Romeinen in Jeruzalem.
Bijna vergeten, maar ze worden in het rijtje toch nog genoemd.
Ze bungelen bijna onderaan.
De eersten worden de laatsten.
Tegelijk echter horen ze er ook weer helemaal bij.
In een preek, die ik nu met Pinksteren hield, heb ik het verder uitgewerkt.
Ongeveer in deze lijn.
Handelingen 2 – dat is het Pinksteren voor de Joodse gelovigen.
Al die aanduidingen van landen (dat lijstje hierboven) slaat op Jóden die uit die landen als pelgrims in Jeruzalem waren,
om het Joodse Pinksterfeest (het Wekenfeest) te vieren.
Het Wekenfeest = het feest waarin de gave van Gods goede geboden wordt herdacht en gevierd.
Het volgt op Pesach = God is sterker dan de farao, en bevrijdde zijn volk uit Egypte.
Dus dan heb je de lijn: Bevrijd van farao (en diens harde wetten die tot slavernij en dood leidden), mocht Israël iets nieuws gaan leren.
Ze werden geroepen tot een nieuw leven: leven volgens de geboden van Gód (die samen te vatten zijn met woord ”liefhebben”).
Daar zit ook al een soort lange neus naar de keizer in.
Uit al die gebieden (inclusief uit Rome) waren Joden naar Jerúzalem gegaan. Dáár lag voor hen het zwaartepunt (en niet in Rome).
Om dáár te leren hoe écht te leven.
Tijdens dat Pinksterfeest wordt dan de heilige Geest uitgestort.
Op de Joden uit al die volkeren (met de Parten dus voorop en de Romeinen in de achterhoede).
En dan moet je verder lezen in Handelingen 10.
Want daar wordt de Geest voor het eerst uitgestort op niet-Joden.
Schrik niet, nota bene op een officier van de vijand, de bezettende macht: de Romeinse centurion Cornelius en de zijnen,
zij hebben de eer om als eerste niet-Joden de Geest te ontvangen.
Dit tot grote verrassing/verbazing van de Joodse aanwezigen die met Petrus meegekomen waren (Hand.10:44-47).
Hier valt dus wél een Romein de eer te beurt om als eerste de Geest te ontvangen.
Maar tegelijk wisselt die wel van status:
van onderdaan van de keizer, nu onderdaan van koning Jezus.
Net als zijn voorganger, de centurion bij het kruis, die beleed dat Jezus Gods Zoon was (en daarmee zijn leven in de waagschaal legde, want zo’n uitspraak kon iemand het leven kosten, in een tijd wanneer men de keízer als godenzoon diende te aanbidden).
Kortom, ook het zeer verrássende aspect is bij Pinksteren aanwezig.
De Geest komt over ”vriend en vijand”.
Grensdoorbrekend.
We lazen en zongen ook Psalm 87.
Wat te denken van de Babyloniërs en de Filistijnen,
die daar (net als Rome) enerzijds op hun plek gezet worden (je hebt je bestaan te danken aan God, Híj is de Allerhoogste en jij bent Hem schatplichtig),
maar anderzijds ook ten volle het heil aangeboden krijgen (op de rol van God geschreven, delend in de vreugde van zijn heil).
De Geest werkt zonder onderscheid.
En zet ook machtshebbers en machtsgebieden van nú (die imponerend lijken) op hun plek.
En richt onze gedachten op de God van de exodus, de overwinnaar van de farao,
de God van de goede geboden,
de Vader van de Here Jezus
die ons weghaalde bij de zonde, deze vergaf, en die de dood overwon.
En ons een nieuw leven wil leren, door zijn goede Geest (die nauw blijft aansluiten bij de geboden, samen te vatten in het God liefhebben en het liefhebben van de naaste alsook van zichzelf).
Zijn Koninkrijk zal komen.
Niet Rome, niet Babel, maar het nieuw Jeruzalem.
”En Jezus zal heersen, waar de zon gaat om de grote aarde om.”
Het was inspirerend om zo met een nieuwe kijk op die volkerenlijst te preken over Pinksteren.
- ds. C.P. de Boer, De landbelofte in het Nieuwe Testament, in: Israëlmagazine Verbonden (jg.68, nr.2, mei 2023, p.10,11)